JOS VAN DER LANS - WEBLOG / TWITTER

Via twitter (@josvanderlans, sinds oktober 2010) en onderstaand weblog (sinds augustus 2004) kunt u op hoogte blijven van artikelen en columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van observaties die ik doe, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardig-heden.

Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb.



.

Reacties worden enorm op prijs gesteld. Stuur een email naar: info©josvdlans.nl

weblog - februari 2009
Stamgast in stand.café

Voor wie wil luisteren: woensdag 25 februari ben ik tussen 18.30 en 19.00 uur stamgast in het dagelijkse praat-discussie programma Stand-punt-café van de NCRV op Radio 1. Geen idee waar het over gaat, maar dar kunt u in de loop van woensdag achterkomen via: http://standcafe.ncrv.nl/
PS
De uitzending stond uiteraard geheel in het teken van de vliegramp bij Schiphol. Niet echt een leuk onderwerp. Beluister hier de uitzending.

Structureel getob en vonkjes inspiratie

Als lid van het eerste KEI-inspiratieteam bezocht ik begin februari de Groningse Korrewegwijk, één van de veertig Vogelaarwijken. Het werd een leerzame dag, die de Groningers wellicht meer aan het denken zette dan dat het hen praktische inspiratie bezorgde.

Even waande ik mij de Engelse socioloog William Jules Wilson toen ik op mijn OV-fiets koerste door de Groningse Korrewegwijk, één van de veertig Vogelaarwijken. Ik was ijverig op zoek naar signalen die zouden moeten wijzen op de achterstandpositie van de wijk. Maar ik zag ze niet. Zoals Wilson, halverwege de jaren tachtig de munter van het begrip underclass, het aan het einde van dat decennium ook niet zag toen hij door een Rotterdamse achterbuurt werd geleid. De excursie was al twintig minuten aan de gang, toen hij zijn gids verbaasd vroeg wanneer ze nu eindelijk in de achterbuurt zouden komen. I don’t see any poverty.

Precies dat gevoel bekroop mij in de Groningse Korrewegwijk. Het is een niet al te grote wijk van zo’n zesduizend woningen, waar achtduizend mensen wonen. Veel singles, veel studenten, wat onmiddellijk te zien is aan het enorme aantal rondslingerende fietsen. Wat meer fietsrekken zou hier al een redelijke verbetering betekenen. Verder ziet het er allemaal redelijk netjes uit. Hoewel.. een stukje verder, als ik door een poort een soort tuindorp binnen rij, heb ik even de indruk dat het er op gaat lijken. Wat gebladderde verf op de deur, halfbakken gordijntjes. Maar twee hoeken verder is het al weer voorbij.

Inspirerende kritiek
Ik ben op verkenning door de wijk omdat ik deze dag lid ben van het KEI-inspiratieteam. Als kenniscentrum stedelijke vernieuwing heeft KEI samen met een paar corporaties het idee ontwikkeld om inspiratieteams los te laten op de herstructureringswijken. Een bewuste poging om in alle negatieve berichten nu eens op een aangename en stimulerende manier naar deze wijken te kijken. Dus geen strenge visitatiecommissie of afrekeningsbrigade, maar een inspirerend gesprek met inspirerende mensen, op basis van doorvragen en doordenken. En dan kijken hoe ver je komt.
De Korrewegwijk uit Groningen heeft de primeur. Op deze kille dag in februari ontvangen de woningcorporatie Lefier en de gemeente Groningen een vijf leden tellend inspiratieteam, waarin, naast mij, een MEE-directeur en oud wethouder, een directeur van hét diversiteitsbureau van Nederland, een adviseur met jarenlange ambtelijke ervaring in een middelgrote stad, en een adviseur projectontwikkelaar. Het team wordt ondersteund door drie KEI-medewerkers. Allemaal energieke mensen, met veel ervaring en ideeën. Maar wel wat onwennig, ze zijn vreemden voor elkaar.

Want niemand weet eigenlijk hoe je dat doet – inspiratie brengen. Dan moet je toch eerst wat van de wijk weten. Vandaar mijn fietstocht door de wijk, vandaar de stapels papieren in mijn tas die over de wijk geproduceerd zijn, met alle wijkplannen en wijkafspraken, zodat we een beeld krijgen waar het om gaat. Dat beeld moet gecompleteerd worden aan de hand van gesprekken met de direct betrokkenen, de corporatiedirecteur, de wethouder, de projectmedewerkers, de verantwoordelijke ambtenaren. Daarna wandelen we door de wijk, en krijgen we een presentatie van een aantal wijkinitiatieven en uitleg van de wijze waarop de bewoners van de buurt via een heuse wijkstemdag door hen zelf bedachte projecten kunnen kiezen. En op basis van dat alles probeert het inspiratieteam dan aan het einde van de dag iets terug te geven aan de professionals van de corporatie en de gemeente Groningen. Dat was het programma.

Voor mij was het in ieder geval heel leerzaam. Want aan de buitenkant mag het er goed uit zien, onproblematisch is de wijk zeker niet. Maar je ziet vooral hoeveel energie er in zo’n wijk gestoken wordt. Je ziet ook de gedrevenheid. Dat resulteert in een enorme lijst projecten die ieder op zich een goede reden hebben, maar waarvan je kan afvragen of ze met elkaar ook synergie opleveren. Het is schieten met hagel. De focus is onduidelijk, zoals één van de teamleden het samenvatte. Te veel mensen doen hun ding, en als vanzelf ontstaat de gedachte dat als je nu in deze wijk vijftien mensen fulltime neerzet in een hoog professioneel wijkteam dat alles – van opvoedingsondersteuning tot leefbaarheidsproject – aanpakt, dat dat veel effectiever zou zijn en meer samenhang in de interventies zou creëren. Maar hoe zou je zo’n situatie dichterbij kunnen brengen? Tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren, zei een van de professionals een beetje moedeloos. Ook in Groningen dus.

Loslaten en overlaten
Mooi – en ik denk dat dat voor veel meer Vogelaarwijken geldt - is het geloof in bewoners. Kernfilosofie van de Groningse aanpak is ‘loslaten en overlaten’. Maar wat betekent dat nu als je tegelijkertijd vijf programma’s en dertig projecten hebt? Hoe maak je dat nu echt waar? Hoe kom je in je eigen denken en plannen van professionele interventies echt tot een ‘systeembreuk’ waarbij ‘loslaten en overlaten’ een reële slogan wordt en niet een soort cadeautjesbudget waarmee buurtbewoners feestjes en barbecues kunnen organiseren. Wat dat betreft vormt de wijkstemdag in de Korrewegwijk, waarin de bewoners mochten kiezen uit ideeën en initiatieven om de wijk te verbeteren, een sprankelend begin. Maar hoe lang houdt dat stand en is het voldoende?
Want de paradox is nu juist dat ‘loslaten en overlaten’ niet impliceert dat gemeente en woningcorporatie moeten ‘terugtreden’, maar juist moeten optreden. Meer bewonerszeggenschap is niet ‘minder instituties en meer bewoners’, maar juist een vorm van wederkerigheid en samenwerking. Dat vereist dus een nieuw soort professionaliteit, dienstbaar en sturend, corrigerend en uitnodigend, aanwezig en terughoudend. Dat is bijna een paradox, maar wel een nieuw type professionaliteit dat in deze herstructureringsprocessen als het ware ontwikkeld moeten worden. De aanpak van de Vogelaarwijken veronderstelt dus niet alleen een plan, maar vraagt van de dragende instanties dus ook dat zij lopende dat langere proces ruimte maken voor de ontwikkeling van een nieuw soort professionaliteit. Dat maakt het zo nodig nog lastiger.
Met die constatering zijn de Groningers natuurlijk niet echt geholpen, zo moest het KEI-inspiratieteam aan het einde van de dag in alle bescheidenheid vaststellen. De constatering dat de herstructurering van de wijk nieuwe dilemma’s oproept die je scherp moet krijgen is wellicht wel verhelderend, maar niet meteen inspirerend. Je zegt tegen professionals: je moet niet alleen aan de wijk werken, maar ook aan je eigen instituties, je eigen professionele logica, je eigen organisatie. Tja…
Gelukkig grossierden de KEI-inspirators gedurende de hele dag in een aardige hoeveelheid ideetjes die ze als kleine cadeautjes achterlieten. Suggesties om de stille kracht van zzp’ers (zelfstandige zonder personeel, eenmansbedrijfjes, die vaak al op 10 procent van de adressen in deze buurten gevestigd zijn) te gebruiken. Suggesties om het idee van een wijkhotel te ontbureaucratiseren. En een leuke tip voor het studentencomité ff buurten dat zich inspant om de relaties tussen studenten en andere buurtbewoners te verbeteren. Organiseer een eenmalig buurtrestaurant dat je laat cateren door de afhaaleethuisjes in de wijk. De gasten kiezen uit een menu en de ‘ober’ belt dat aan tafel door aan de afhaalbedrijfjes waarna de jongens met scooter en helm het afleveren. Wel een restaurant, maar niet het (vervelende) koken. Dat kan – voor wie het slim aanpakt - heel gezellige buurtavond worden.
Het studentencomité vond het een inspirerend idee. Zo leverde de primeur van het KEI-inspiratieteam niet alleen getob, maar ook nog wat praktische vonkjes enthousiasme op. Ach ja, je moet bescheiden beginnen.
Deze tekst verschijnt in de rubriek ‘Waar is Jos van der Lans?’ in het maartnummer van TSS – Tijdschrift voor sociale vraagstukken.
Een typologie van de geestdrft

Er is waarschijnlijk geen land ter wereld waar zoveel beleid wordt gemaakt als in Nederland. Ambities worden op elkaar gestapeld en het ene project is nog niet klaar of er wordt alweer een nieuw project gestart. Het moet vooral nieuw zijn. Dat gaat ten koste van duurzaam resultaat.

Een poging om al deze projecten te vangen in een recept voor succesvol beleid is tot mislukken gedoemd. Wel is het mogelijk om gemeenschappelijke kenmerken van de initiatiefnemers te onderscheiden: een typologie van de geestdrift. Op grond van de beschreven projecten in het boek De vrijblijvendheid voorbij springt er een tiental kenmerken uit, die ik in het afsluitend slothoofdstuk op een rijtje heb gezet. Hieronder een korte samenvatting.
1. Het moet vooral geen hulpverlening zijn. De initiatiefnemers willen niet soft overkomen of met hun edelmoedigheid te koop lopen. Ze willen gewoon iets op gang brengen, mensen een zetje in de rug geven.

2. Er is sprake van een normale bedrijfscultuur. Regels en mechanismen die gelden bij reguliere organisaties, moeten ook gelden bij de organisaties die de projecten runnen. Afspraak is afspraak, je komt op tijd, je wordt betaald voor de werkzaamheden die je verricht.

3. De initiatiefnemers hebben een ondernemersmentaliteit. Ze zijn vaak ondernemer en uitvoerder geworden van het plan dat ze zelf bedacht hebben, nadat ze een probleem of een behoefte hadden gesignaleerd.

4. Gedrevenheid als succesformule. De initiatiefnemers zijn overtuigd van het goede van hun ideeën en weten dat over te brengen. Het zijn geen vergadertypes maar willen snel tot actie overgaan en resultaat laten zien, onder het motto 'succes maakt succes'.

5. Een anti-bureaucratische gezindheid en directheid en snelheid van handelen. De initiatiefnemers hebben vaak niet het geduld om allerlei procedures te doorlopen alvorens te starten. Door snel te handelen wordt de energie niet verspeeld in de voorfase.

6. Het verbinden van mensen, organisaties en activiteiten. Door mensen in combinaties bij elkaar te brengen die niet op natuurlijke wijze tot stand komen, worden ze meegenomen in een bepaalde dynamiek die het project in een stroomversnelling brengt.

7 Niets is onmogelijk. Er wordt niet gedacht vanuit beren op de weg of dat het al is geprobeerd, maar vanuit een open, op vernieuwing gerichte mentaliteit. Een cultuur van nooit nooit zeggen.

8. Persoonlijkheid en doorzettingsvermogen. De initiatieven worden gedragen door mensen die van aanpakken weten, die kunnen overtuigen en zelf niet te beroerd zijn om handwerk te verrichten.

9. Aansluiten bij potenties. De meeste initiatieven gaan uit van wat er al is, van de potenties die ieder mens bezit. Die moeten vrijgemaakt worden. Het uitgangspunt is niet een probleem maar een mogelijkheid, een uitdaging.

10. Vrijbrief en geduld. Hoewel men zich zo min mogelijk inlaat met overheidsinvloed, hebben de projecten, zeker in de beginfase, vaak een publieke financier nodig. Die moet ze alle tijd en ruimte geven en niet vanaf het begin aantoonbaar resultaat verlangen. De sleutel tot succesvolle stedelijke vernieuwing is dus geen ingewikkeld beleidsrecept. Het komt in wezen neer op het organiseren van geestdrift.
Kamers met kansen

Kamers met kansen is een leuk project. Het biedt jongeren met problemen thuis, op school en/of werk een (nieuwe) kans. In een positieve omgeving en met individuele coaching gaan jongeren van 18 tot 25 jaar op zoek naar werk of een opleiding. Na anderhalf jaar zijn ze klaar om zelfstandig verder aan hun toekomst te bouwen. En dat zeg ik niet alleen omdat ze een link hebben opgenomen met een korte samenvatting van een voordracht die ik enige tijd geleden voor KEI heb gehouden. Ga zelf even kijken: Kamers met Kansen
Taxi-oorlog in Het Parool.



Vandaag verscheen in Het Parool mijn opiniebijdrage die op deze site al op 3 februari te lezen was. Ter illustratie van het verhaal stond een paar pagina's ervoor het bovenstaande bericht. Nu maar hopen dat dat alles reden is om in te grijpen.

Zondebok

Hoera, we hebben weer een zondebok: Hubert Möllenkamp, directeur-bestuurder van de Amsterdamse corporatie Rochdale. De kranten raken er niet over uitgeschreven. Want Möllenkamp is een Zonnekoning, een zelfverrijker, een witteboordencrimineel, een corpodictator, een rotte kies die verwijderd moet worden.
Maar voor zover mij bekend was Möllenkamp geen ZZP’er. Hij opereerde jarenlang in een omgeving, met medewerkers, collega’s en andere volkshuisvesters. Wisten die van niks?
Dan gaat het niet alleen om de Raad voor Commissarissen, die in een jarenlange sfeer van oude jongens krentenbrood elk kritisch vermogen had laten verdampen. De enkele nieuwkomer die zo nu en dan zijn vinger opstak, werd onder het genot van een goed glas wijn kundig ingewijd in de beproefde mores van vriendelijkheid. Terecht heeft dit gezelschap inmiddels de eer aan zichzelf gehouden. Hen staat nog een vernietigend rapport te wachten.
Maar er zijn natuurlijk veel meer medeplichtigen. Wat deden de managers bij Rochdale, de boekhouders, de accountants, de controllers als de meest merkwaardige transacties door de balans geschoven werden? Wie stak zijn vinger op? Wie maakte er een punt van? Wie nam er ontslag?
Niemand.
En wat te denken van zijn collega-bestuurders in Amsterdam, de bazen van andere corporaties? Het kan niet anders of Möllenkamp heeft hen wel eens benaderd om mee te doen in een deal. Zij prijzen zich achteraf gelukkig er niet aan meegedaan te hebben. Maar hebben ze alarm geslagen? Hebben ze een scherpte discussie gevoerd in de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties? Welnee. Ieder zijn eigen zaken. Als jij je niet met mij bemoeit dan bemoei ik me niet met jou.
En wat deden bestuurders en politici? Voelden zij zich geroepen tot een vorm van maatschappelijk toezicht? Gingen zij op onderzoek uit nadat de verhalen de ronde deden?
Niet dus.
Kortom, het gaat niet om de kies, maar om de conditie van het hele gebit. Daar zou de discussie over moeten gaan. Maar de kans dat het gebeurt is miniem. Iedereen spreekt een bezweringsformule uit: “meer toezicht’ en hoopt dat daarmee de bui snel overdrijft.
Het wachten is op de volgende zondebok. En de volgende. En de volgende.
Deze column verschijnt begin maart in Aedes Magazine, nr. 5/2009. Zie voor meer info over Aedes magazine.
Taxivrijstaat Amsterdam

Toen ik in 1999 in de Eerste Kamer met de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, Tineke Netelenbos, discussieerde over de taxiwet, kostte een rit van het station naar mijn huis in het Oostelijk Havengebied iets meer dan elf gulden. Dat was toen, naar Europese maatstaven, rijkelijk veel. Tineke Netelenbos beloofde dat dit allemaal zou veranderen. Door grotere concurrentie zouden de prijzen onder druk komen te staan, de consument zou meer te kiezen hebben, de tarieven zouden transparanter worden en de taxi’s klantvriendelijker.

We zijn nu tien jaar later. Afgelopen zaterdagnacht, na een dag reizen vanuit het zuiden van Europa mocht ik zelf bij het Centraal Station aan den lijve ervaren dat alles inderdaad is veranderd. Het was één uur ’s nachts en vermoeid wilde ik mij zo snel mogelijk door een taxi naar mijn bed laten vervoeren. Op de standplaats stond een forse rij taxi’s te wachten, maar achter een slagboom voltrok zich toch een tafereel dat mij eerder aan Cairo deed denken dan aan Amsterdam.
Een norse, baardige man vroeg me waar ik naar toe moest en toen ik het Oostelijk havengebied noemde (ik weet inmiddels al dat het geen zin heeft om een specifieke straat te noemen, want dat stuit louter op vraagtekens) negeerde hij mij verder volledig. Kennelijk niet interessant. Bij alle taxi’s bij wie ik vervolgens op het portier klopte ving ik nul op het rekest. De regelman op het pleintje raadde mij vervolgens aan om buiten het gebied van de slagboomzone een taxi te gaan zoeken. Dat leek me tamelijk absurd, gezien de enorme overvloed aan taxi’s dat met ronkende motoren stond te wachten.
Uiteindelijk belandde ik na zo’n kwartier wanhopig vragen in een taxi die net aan kwam rijden. Beleefd vroeg ik de taxichauffeur of hij de meter aan kon zetten. Een tip die elke reiziger in een grote derdewereldstad uit zijn reisgids oppikt: nooit rijden zonder meter. Maar mijn taxichauffeur vertelde doodleuk dat een meter niet meer hoeft, want hij had maar vier tarieven. Binnen het centrum 15 euro, een stukje daarbuiten 20 euro, weer een stuk verder 25 euro en voorbij de ring 30 euro of meer. En aangezien ik net buiten het centrum woon, was mijn tarief 20 euro (4 x de prijs van tien jaar geleden). Waarna hij de muziek nog wat harder zette en met een vaart van honderd over de Oostelijke Handelskade spoot.
Hetzelfde ritje zou mij in elke middelgrote stad van Nederland hooguit iets meer dan elf euro gekost hebben. Daar geldt een starttarief van 6 tot 7 euro voor de eerste twee kilometer, waarna de meter gaat lopen. Forse aantallen Amsterdamse taxichauffeurs hebben dat alles simpel vereenvoudigd: daar begint elk ritje met 15 euro. Je krijgt subiet medelijden met de toeristen die met deze praktijken worden geconfronteerd. Dat was ook de reden waarom ik geen aantrekkelijk ritje voor hen opleverde: een willekeurige toerist is vele malen profijtelijker.

Netelenbos heeft inderdaad gelijk gekregen. De taximarkt is totaal veranderd. Maar in Amsterdam, zoals ik in 1999 in de Eerste Kamer voorspelde, op geen enkele manier ten goede. De gemeente heeft met een slagboompje gepoogd de chaos rondom het Centraal Station enigszins te beteugelen, maar in feite wordt het gebied grote delen van de dag beheerd door een volkomen ongrijpbare taxi-subcultuur, waarmee vergeleken de ook al niet zo lieve jongens van de TCA brave schoolkinderen waren. Wie zijn vooroordelen wil laven heeft aan een bezoekje aan deze taxivrijstaat voldoende om er jaren tegenaan te kunnen.

Als Amsterdam echt de ambitie heeft om zich omhoog te werken in de wereldranglijst van aantrekkelijke toeristische steden dan dient het stadsbestuur deze derdewereld taferelen niet langer op zijn beloop te laten. Een stad die het komende decennium nog bezaaid is met bouwputten moet juist op dit punt zijn dienstverlening optimaal op orde hebben. En dat kan, als de gemeente tenminste het lef heeft om zijn rug te rechten.
Vorige week verloor de TCA – naar eigen zeggen vanwege haar slechte imago uit het verleden – de aanbesteding om taxidiensten vanuit Schiphol te mogen verzorgen. Wat houdt de gemeente tegen om voor de taxistandplaats bij het Centraal Station ook een aanbesteding uit te schrijven? De wet staat het niet in de weg; het is een kwestie van creatief juridisch denken. Alleen taxibedrijven met heldere en normale tarieven worden dan voorzien van een pasje om de slagbomen te passeren en hun diensten aan te bieden. Goede kans dat de TCA bij zo’n aanbesteding als winnaar te voorschijn komt. Dat compenseert niet alleen het voor hen pijnlijke verlies van de aanbesteding van Schiphol, maar biedt de nietsvermoedende toerist ook weer gewoon de zekerheid dat hij voor een normale prijs zich aan een taxiritje door de stad kan wagen. Dat lijkt mij een kwestie van gastvrijheid. Tot nu toe heeft de erfenis van Netelenbos de Amsterdammer maar een voordeel gebracht: elke tip is overbodig geworden.

Deze tekst verscheen op zaterdag 7 februari in Het Parool.
Reis door het verleden

Jos van der Lans is deze weken op reis door zijn eigen boekenkast. Samen met anderen werkt hij aan een digitaal leerlaboratorium over het verleden van sociaal werk. Dat is nodig omdat de hedendaagse beleidstechnocratie het historisch bewustzijn doet verbleken.

Om de zoveel tijd gaat de telefoon, en dringt er een stem uit het heden tot mij door. Niet zelden met het verzoek om ergens in het land mee te praten, mee te doen, mee te denken. Maar ik zeg nee, althans meestal. Want ik verblijf deze weken in het verleden, in de boeken die iets vertellen over de geschiedenis van het sociaal werk in Nederland. Het zou te ver gaan als ik hier zou melden dat deze wereld fascinerender is dan de actualiteit, maar af en toe overvalt me deze gedachte wel. Niet uit nostalgie, maar omdat we vaak zo’n verwrongen kijk op de geschiedenis hebben. We kijken er naar als een toestand die we achter ons gelaten hebben, terwijl het juist een werkelijkheid biedt waarvan we zoveel kunnen leren.
Precies om die reden ben ik ook tussen de oude boeken verzeild geraakt. Ruim twee jaar geleden begon ik – min of meer voor de grap – met een hele Canon Modern Sociaal Werk, waarvan de eerste versie in dit tijdschrift is afgedrukt in december 2006, terwijl deze tegelijkertijd op het net verscheen: www.canonsociaalwerk.nl. Het was een speelse variant van de eerder dat jaar gepresenteerde officiële Canon (zie: http://entoen.nu/), maar er stak ook een serieuze bedoeling achter. Het historisch bewustzijn van de sociale sector is in snel tempo aan het verbleken. Sociale interventies worden gedomineerd door een steeds technocratischer wordende beleidstaal en die lijkt zich steeds verder los te maken van historische contexten. En dat is voor werksoorten die altijd gekleurd zijn door de aspiraties en problemen van de tijd een treurige ontwikkeling.

Canon sociaal werk
Die boodschap werd opgepakt door een paar medestanders. Jan Steyaert (lector hogeschool Fontys, op de foto rechts vooraan), Wim Verzelen (lector Hogeschool Antwerpen, links vooraan) en Maarten van der Linde (docent Hogeschool Utrecht, en auteur van het Basisboek Geschiedenis Sociaal Werk in Nederland, foto rechts achter). En met steun van een aantal ‘maatschappelijke aandeelhouders’, waaronder dit tijdschrift, bouwen we sindsdien gestaag aan de ontwikkeling van een echte, uit vele lagen bestaande CANON SOCIAAL WERK. Omdat Jan Steyaert en Wim Verzelen Vlamingen zijn werken zij tegelijkertijd ook nog eens aan een Vlaamse pendant , die inmiddels ook op het net te bewonderen is.
Dat alles heeft dit najaar een enorme impuls gekregen toen wij het ministerie van VWS en de Vlaamse regering bereid hebben gevonden om eenmalig te investeren in een kwalitatief hoogstaande Canon Sociaal Werk, die tot de verbeelding kan spreken voor sociale professionals en studenten en die de geschiedenis als een permanente leerlaboratorium en inspiratiebron voor het voetlicht gaat halen. En sindsdien verdwaal ik dus in de boeken en vertoef ik in het verleden.
Ik kan het iedereen aanbevelen.
Ik reis door een wereld van bijzondere mensen en spannende gebeurtenissen. Neem bijvoorbeeld het leven van Johanna ter Meulen (1867-1937) en de gebeurtenissen op 9 januari 1903, de dag dat de Vereniging van Woningopzichteressen door (onder andere) Johanna ter Meulen werd opgericht. Maarten van der Linde heeft voor het april-nummer van SOZIO een prachtig verhaal geschreven over deze pionier van het woonmaatschappelijk werk. Afkomstig uit de betere stand, en meeliftend op de eerste feministische golf, zet zij zich eind negentiende eeuw actief in om de levensomstandigheden van arbeiders te verbeteren. In 1898 wordt zij directrice en woningopzichteres van de Woning Maatschappij Oud-Amsterdam, die 94 woningen in beheer heeft. Voor verantwoord beheer en persoonlijk contact, moet de corporatie niet groter worden dan honderd woningen, aldus Ter Meulen (kom daar nu eens om, maar dat terzijde).

Outreachend
Wij kijken tegenwoordig op de woningopzichteressen terug als een fase in het sociaal werk waarin de betutteling en het paternalisme hoogtij vierde. Maar, en ik citeer hier het artikel van Maarten van der Linde, dit is wat ze deed: ‘Vanuit haar kantoortje op de Anjelierstaat 149 gaat zij eropaf. Als ‘haar’ gezinnen problemen hebben, is zij niet te stuiten. (…) Zij zoekt werk voor een ontslagen man. Ze vraagt advies als een gezin in haar ogen een veel te hoge premie moet betalen voor een verzekeringspolis. Ze maakt samen met een huisvrouw een plan voor afbetaling van schulden. Voor de oudste dochter in een gezin waar de moeder is overleden vraagt ze om plaatsing op de Amsterdamse Huishoudschool. Ze adviseert bij schoolkeuze en vervolgopleidingen. Zij vraagt beurzen aan voor studiekosten van de kinderen van haar huurders.’
Dat kan je paternalistisch noemen, maar tegenwoordig noemen we dat ‘Achter de voordeur’, outreachend werken, de eropaf-aanpak of laten we het, zoals in Rotterdam, door complete interventieteams doen. Voor hen heeft Johanna nog een prachtig advies. Het gaat volgens haar niet om ‘een inspectie van kasten en bedden, maar om een beluisteren. Wat kan er uit dit gezin groeien?’ Het klinkt toch net wat opbouwender dan de dwang-en-drang-boodaschappen die we tegenwoordig te horen krijgen. Was juist dat onverbiddelijke niet het beeld dat wij aan deze oude onmaatschappelijkheidsbestrijders hadden overgehouden?
Misschien is het misgegaan op 9 januari 1903 toen in Amsterdam 17 woningopzichteressen, waaronder uiteraard Johanna ter Meulen, bijeenkwamen om de eerste beroepsvereniging van sociaal werkers op te richten: de Vereniging van Woningopzichteressen, want dat was toen de grootste tak van maatschappelijk werk. De vrouwen hadden een professioneel en emancipatorisch doel. Zij wilden er betaald en professioneel werk van maken. De vraag die hen op die 9e januari bezighield was: mogen mannen ook lid worden? Na langdurig discussie besloten ze met 15 stemmen voor en 2 tegen, dat mannen geen lid mochten worden. Dit was nu typisch werk dat vrouwen op het lijf was geschreven, vonden ze.

Wraak der mannen
De historische wraak der mannen was genadeloos. De woningbouwverenigingen namen vooral mannen aan om de huur op te halen en de bewoners toe te spreken, en het maatschappelijk werk bleef hangen als een typisch vrouwelijk vak dat met het op gang komende van de twintigste eeuw in de grote mannen maatschappij (overigens tot op de dag van vandaag) in professionele status en maatschappelijk aanzien achterbleef.
Als ik dat dan lees, in al die boeken die mij omringen, dan kan ik uren bezig zijn met de vraag: hoe had de professionele ontwikkeling van het maatschappelijk werk er uitgezien als die 17 vrouwen in 1903 een ander besluit hadden genomen? Dat zijn fascinerende vragen. Dat zijn ook de vragen waar professionals en studenten mee moeten kunnen leren spelen. En dat kan vanaf 21 april als we de nieuwe versie van de CANON tijdens het jubileumsymposium van de 70-jarige Fondshogeschool door staatssecretaris Bussemaker (onder voorbehoud) ten doop houden. Wie niet tot die tijd kan wachten, kan stiekem kijken op de ontwikkelversie op www.canonsociaalwerk.eu. Dan weet u meteen waar ik de komende maanden ben.
Deze column verschijnt in de rubriek ‘Waar was Jos van der Lans?’ in het februari-nummer van TSS. Neem overigens gerust een kijkje in de werkvensters van de nieuwe site in ontwikkeling en aarzel niet om ons van tips en commentaar te voorzien. Daar wordt het alleen maar beter van.

Kies een periode: augustus 2020
juli 2020
juni 2020
mei 2020
april 2020
maart 2020
februari 2020
januari 2020
december 2019
november 2019
oktober 2019
september 2019
augustus 2019
juli 2019
juni 2019
mei 2019
april 2019
maart 2019
februari 2019
januari 2019
december 2018
november 2018
oktober 2018
september 2018
augustus 2018
juli 2018
juni 2018
mei 2018
april 2018
maart 2018
februari 2018
januari 2018
december 2017
november 2017
oktober 2017
september 2017
augustus 2017
juli 2017
juni 2017
mei 2017
april 2017
maart 2017
februari 2017
januari 2017
december 2016
november 2016
oktober 2016
september 2016
augustus 2016
juli 2016
juni 2016
mei 2016
april 2016
maart 2016
februari 2016
januari 2016
december 2015
november 2015
oktober 2015
september 2015
augustus 2015
juli 2015
juni 2015
mei 2015
april 2015
maart 2015
februari 2015
januari 2015
december 2014
november 2014
oktober 2014
september 2014
augustus 2014
juli 2014
juni 2014
mei 2014
april 2014
maart 2014
februari 2014
januari 2014
december 2013
november 2013
oktober 2013
september 2013
augustus 2013
juli 2013
juni 2013
mei 2013
april 2013
maart 2013
februari 2013
januari 2013
december 2012
november 2012
oktober 2012
september 2012
augustus 2012
juli 2012
juni 2012
mei 2012
april 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
december 2011
november 2011
oktober 2011
september 2011
augustus 2011
juli 2011
juni 2011
mei 2011
april 2011
maart 2011
februari 2011
januari 2011
december 2010
november 2010
oktober 2010
september 2010
augustus 2010
juli 2010
juni 2010
mei 2010
april 2010
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004