JOS VAN DER LANS - WEBLOG / TWITTER

Via twitter (@josvanderlans, sinds oktober 2010) en onderstaand weblog (sinds augustus 2004) kunt u op hoogte blijven van artikelen en columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van observaties die ik doe, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardig-heden.

Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb.



.

Reacties worden enorm op prijs gesteld. Stuur een email naar: info©josvdlans.nl

weblog - november 2009
Verplichte literatuur: AFRI van Jutta Chorus

Wie al lezend aan den lijve wil ervaren wat er in de zwarte buurten van Nederland gebeurt, moet AFRI lezen, het verslag van NRC Handelsblad-journaliste Jutta Chorus over haar poging om gedurende twee jaar de Rotterdamse Afrikaanderwijk te doorgronden.
Ik vind het een geweldig boek (en dat zeg ik niet vaak), dat de lezer meeneemt op een reis door geschiedenissen en biografieën die verknoopt zijn met het land van herkomst, met de nieuwe situatie, de Nederlandse verzorgingsstaat en de troosteloosheid van een samenleving die vijandig is. Wie dit boek leest kan misschien niet altijd de hoofdpersonen uit elkaar houden (wie is ook al weer wie), maar wordt wel gegrepen door de desolaatheid, door de cultuur van overleving, door de schrizofrene loyaliteiten. Het is even begrijpelijk, als troosteloos.
Maar ook weer niet helemaal, want Chorus wordt de wijk binnengeleid aan de hand van professionals die trouw en nauwgezet goed en kwaad in deze stadswildernis uit elkaar proberen te houden. Zij zijn haar bakens, zij zijn de ordedienst, de ankerpunten in deze stadsjungle. Buiten hun aanwezigheid, hun correcties en sturing is elke greep op deze buurt, elk publiek contact zoek.
Wie overtuigd wil worden van de noodzaak dat professionals op de huid van de samenleving moeten opereren (het basispirncipe van de eropaf-benadering, zie hieronder 24 november), moet dus dit boek lezen. Al was het maar om te ervaren hoe ingewikkeld dit werk is. Jutta Chorus verdient wat dfat betreft een prijs voor het beste onderzoeksjournalistieke boek van 2009.
Hieronder een bijna kaleidoscopische recensie van Aleid Truyens, die in de Volkskrant van 8 september heeft gestaan.


Jutta Chorus won in de Afrikaanderwijk in Rotterdam het vertrouwen van Turken, Marokkanen en Nederlandse achterblijvers. Afri heet haar aangrijpende journalistieke verslag. Dikke Osman is snackbarhouder, maar niet lang. Door schulden en wanbeleid gaat zijn zaak op de fles, ondanks de hulp van zijn tantes die heerlijke kofta bereiden. Dus wijdt Osman zich aan zijn andere professies: die van bendeleider en drugsdealer.
Özhan is Osmans vriend. Ook hij zetelt hoog in de bende. Hij heeft vastgezeten voor diefstal, geweldpleging en drugshandel. ‘Fuck de politie!’ roept Özhan. ‘Fuck Nederland!’
Majid, opbouwwerker bij Jongerencentrum Plein 3, zegt wel eens tegen hen: ‘Drugs verkopen is niet normaal. Niet leuk.’ Collega Appie: ‘Het is hun huis. Zij zijn de baas. Zolang je doet wat ze willen, zijn ze leuk. Doe je dat niet, dan gooien ze je ruiten in.’
Nadia Barquinia, de goedgebekte bazin van Plein 3: ‘Wij organiseren activiteiten voor jongeren uit de wijk die geen strafbare feiten plegen.’ Maar ja. Elke dag komen de dealers en hun knechten bij Plein 3 pokeren, tafelvoetballen of naar maffiafilms kijken. Buiten helpen ze hun klanten. Langlopende meisjes worden geïntimideerd en Surinamers uitgescholden voor ‘apen’. Nadia ergert zich aan de slappe jongerenwerkers die de jongens niet durven veranderen. Als ze aangifte wil doen van vernielingen, wordt ze bedreigd.
Plein 3, het hart van de Rotterdamse Afrikaanderwijk, wordt geregeerd door Osman, Özhan en Gökhan. Het is de biotoop van zestig jongens, merendeels Turken. De meesten van hen hebben geen werk en geen diploma’s.
Lianna Verheul werkt als wijkagent in ‘Afri’, zoals de jongeren hun territorium noemen. ‘Het zijn geen denkers’, zegt ze. ‘Er is maar één streven: de grote, glanzende auto, zoals geslaagde jongens die hebben.’ En: ‘Ik doe nooit of ik beter ben dan zij. (…) Ze zijn heel snel beledigd.’ Lianne krijgt ‘respect’ van de jongens, het hoogste goed.

En dan is er nog Jutta Chorus, redacteur van NRC Handelsblad. Ze loopt een paar jaar regelmatig rond in de Afrikaanderwijk, want ze wil er een boek schrijven over deze migrantenwijk. In het begin, als ze wordt ze vergezeld door de wijkagenten, bekijken de jongens haar wantrouwend, later wint ze hun vertrouwen. Osman vertelt graag zijn levensverhaal. Natuurlijk, ‘want ik ga het maken in de wereld’. ‘Osman wordt mijn hoofdpersoon’, schrijft Chorus.
Maar dat is niet helemaal waar. Het wordt steeds drukker in Afri. Chorus leert de familie van Osman kennen, de familie Soyçiçek, een kring van machtige vrouwen, Osmans tantes en grootmoeder, die ook hoofdpersonen worden in dit boek. De familie huist in vijf bijeen liggende woningen, met de snackbar in het midden. De vrouwen beoordelen andere Turken streng, maar vormen één front tegen de buitenwereld. ‘Er is niemand tegen wie ze Nederlands moeten spreken’, constateert Chorus, ‘behalve tegen mij. Er is niemand voor wie ze Nederlander hoeven zijn.’ Later zal de schrijfster meereizen naar Arakli in Turkije, waar de familie, die in Nederland van de bijstand leeft, huizen bezit.
Chorus schildert eveneens een scherp portret van de Marokkaanse familie Ghelali. Ook Mehem Ghelali is een hoofdpersonage. Mehem heeft een Nederlandse vriendin en draagt hun baby in een draagzak. Hij heeft bouwkunde gestudeerd, werkt bij een projectontwikkelaar en heeft zelf een koophuis. Op zijn werk heet hij Ab. De werkloze hangjongens bewonderen deze Marokkaan, die op een motor rijdt en in een zilvergrijze Peugeot. Maar: ‘Hij praat als een Nederlander.’
Helemaal gelukkig is Mehem niet. Zijn vader wil zijn Nederlandse vriendin Sandra niet ontmoeten; zijn moeder wijst hem op leuke, huwbare Marokkaanse meisjes en noemt haar zoon een ‘bastaard’. Maar hij trouwt evenmin met Sandra. Mehem werd een Nederlander en betaalt daarvoor een prijs. ‘Schaamte is mijn zesde zintuig’, zegt hij.
Chorus sluit ook vriendschap met de witte koningin van de wijk. Ze gaat met Marian van Rooijen, die zo dik is dat ze niet kan lopen, naar de chirurg die een ballon in haar maag zal plaatsen, waarna Marian zal afvallen. Marians gezin houdt dapper stand in een wijk met 84 procent allochtonen. ‘Ík ben hier de allochtoon’, zegt Marian. Ze helpt haar buitenlandse buren waar ze kan. Maar ze heeft haar eigen sores.
Schoondochter Anja is MS-patiënt. Zoon Danny heeft astma én is ‘zwaar autistisch’. Op school werd hij gepest: ‘Die zwarten moesten mij niet.’
En dan is er nog de Poezenvrouw, die met een gezin en 27 poezen woont in een van pis doordrenkt huis, waaruit een doordringende ammoniaklucht walmt. Ze worden uit huis gezet door de woningbouwvereniging, maar een meelevende Servische buurvrouw vangt hen op. En dan hebben we de Turkse die door haar man wordt mishandeld, maar geen aangifte durft te doen.

De hoofdpersonen buitelen in Afri over elkaar heen, de een nog zieliger dan de ander. Al die levens, al die problemen. In de tweede helft van het boek lijkt Chorus, die zo trefzeker begon met het Plein 3 als centrum van dit allochtone, dictatoriaal geregeerde rijk, haar focus een beetje te verliezen. De exemplarische verhalen van de families Soycicek en Ghelali waren al meer dan genoeg geweest voor één boek, waarbij de andere buurtbewoners als bijfiguren hadden kunnen optreden.
Toch is het te begrijpen dat Afri gaandeweg uitdijde. Wellicht wogen journalistieke motieven zwaarder dan verhaaltechnische. Chorus heeft een genuanceerd verhaal willen schrijven, uit vele perspectieven. Wie zich in mensen verdiept, begrijpt hun gelijk, ook al hebben ze ongelijk of is het zich vastbijten in hun gelijk dom. ‘Mijn loyaliteit ligt bij hén’, schrijft Chorus in haar dankwoord over haar hoofdpersonen.
De lezers kunnen die loyaliteit vermoedelijk niet altijd opbrengen, juist door Chorus’ scherpe observaties. In het laatste hoofdstuk krijgt de cynicus gelijk. Het is het oudjaar, traditioneel hét moment om rotzooi te trappen. Eensgezind tarten jongens van allerlei herkomst de politie. Er worden auto’s in brand gestoken en vernield, er sneuvelen ruiten. Gökhan, de nieuwe leider, omarmt Lianne en Edwin, de wijkagenten; voor hen heeft hij respect.
De twee dienders stralen. Maar enkele uren later blaast Gökhan de rook van zijn maffia-sigaar in Edwins gezicht en gooit hij een rotje rakelings langs Liannes hoofd. De agenten grijpen niet in. ‘Wat wil Nederland nou van ons?’, vraagt Gökhan zich dramatisch hardop af. ‘We mogen drugs kopen zoveel we willen. We kunnen schelden op de politie. We kunnen drinken zoveel we willen. We kunnen seks hebben wanneer we willen.’ Maar, zegt Gökhan, ‘wie kan zoveel rijkdom weerstaan?’
Want: ‘We weten niks. We kunnen niet denken.’
De gewelddadige, verongelijkte jongen; de twee goedwillende dienders die beteuterd kijken naar hun vernielde wijk, en verzuchten dat alles anders moet. Dit tafereel vat alle wanhoop, door Chorus huiveringwekkend voelbaar gemaakt, pregnant samen.

Aleid Truyens

Jutta Chorus, Afri, uitgever: Contact, prijs: 22,50, 372 pagina's, isbn: 978 90 254 20413.

MANIFEST Eropaf! 2.0

In de sociale sector is outreachend werken weer een geaccepteerde methode. Een aantal jaren geleden was het actief en vroegtijdig benaderen van burgers nog niet aanvaardbaar, maar tegenwoordig is dit eerder norm dan uitzondering. Overheden, sociale instanties en woningcorporaties doen pogingen het verloren contact met burgers, cliënten of huurders te herstellen. Ze gaan ‘eropaf’ en komen graag, soms zelf tegelijk, ‘achter de voordeur’. Wat ze daar moeten doen om het gewenste resultaat te bereiken, is lang niet iedereen even duidelijk. Regelmatig begaan ze dan ook behoorlijke blunders.
De begripsverwarring en discussie over wat de morele en juridische grenzen hierin zijn, laaien weer op, dat is onvermijdelijk. Want wat is outreachend werken nu precies? Waarom doen we dit? Welke toon slaan we aan? Hoe ver mag de overheid gaan? Wat zijn de onderliggende sociaal-maatschappelijke ideeën en opvattingen? Wie zijn hier geschikt voor? Wie juist niet? Maar vooral: wat is het uiteindelijke doel? En wat is ervoor nodig om dit te bereiken? Veel instanties die zich achter de voordeur begeven, of zich achter de voordeur laten sturen, hebben over deze vragen nog onvoldoende nagedacht.
Het MANIFEST Eropaf! 2.0 moet voorkomen dat outreachend werken een ‘achter de voordeur’ hype wordt. Dat het verzandt in welwillende, maar nietszeggende teksten in beleidsnota’s en in ronkende visiestatements van instellingen. Modieusheid is het grootste gevaar voor innovatie in de sociale sector. De Eropaf-beweging is geboren op de werkvloer van de samenleving. De beweging streeft naar een wisseling van perspectief, die vooral professionals verder moeten vormgeven. Kritisch, zonder terughoudendheid, uit volle professionele overtuiging, en met vakkennis. Daarom roept dit manifest in de eerste plaats professionals op nadrukkelijk positie te kiezen, de discussie aan te gaan, en aan de beweging bij te dragen.
De aanpak van het MANIFEST Eropaf! 2.0 is heel eenvoudig. Outreachend werken wordt uiteengelegd in tien uitgewerkte kernwaarden, waarbij gerefereerd wordt aan actuele discussies, nieuwe initiatieven en opvattingen. Veel hiervan is ook te vinden via de website van de stichting Eropaf!, www.eropaf.org, waar talloze links te vinden zijn over het onderwerp.
Doe dus mee. Kom uit de kantoren en vergaderzalen. Het werkterrein ligt binnen gezinnen, buurten en wijken, bij groepen en individuen. Treed in contact met leef- en belevingswerelden. Het sociaal werk moet zich aan zijn zelfgesponnen cocon van mitsen en maren ontworstelen, en volle verantwoordelijkheid voor de belangrijke maatschappelijke vraagstukken van deze tijd nemen. De sociale sector moet dringend eropaf, maar steeds duidelijker wordt dat dit alleen lukt als de sector ook in staat is om op zichzelf af te gaan. Samenwerking is daarbij nodig. Met actieve burgers en hun zelforganisaties, en met instellingen die uit overtuiging outreachende praktijken verder willen brengen: gemeenten, corporaties, hogescholen. Dat is het leuke van de Eropaf-beweging: iedereen die echt wil veranderen is welkom.

Het MANIFEST Eropaf! 2.0 (56 pagina’s) is te bestellen via www.eropaf.org of via een mailtje naar info@eropaf.org.

Zie bespreking in: Zorg+Welzijn

Gérard van Tillo: nieuw boek over extremisme

De Edmund Husserl Stichting heeft in samenwerking met uitgeverij Voltaire een boek uitgebracht van Gerard van Tillo, waar ik een voorwoord voor heb geschreven. Het boek biedt een grondige analyse van het extremisme, het terrorisme en de wijzen waarop deze verschijnselen worden bestreden. Daarnaast doet de auteur nieuwe suggesties voor de vreedzame bestrijding van extremisme en terrorisme, en schetst hij een perspectief voor de toekomst.De schrijver brengt terrorisme in verband met extreme opstellingen op het gebied van territoriale beheersing, ideologie en religie. Hij beschrijft de achterliggende opvattingen die een rol spelen bij het gebruik van terroristisch geweld in hun historische ontwikkeling, en portretteert de belangrijkste terroristische groepen en bewegingen in hun historische en actuele contekst. Daarna analyseert hij het antiteurreurbeleid in de verschillende landen. De nadruk valt hierbij op de geweldloze bestrijding van het terrorisme. De publicatie roept op tot een wereldwijd extremisme-debat. Hieronder mijn voorwoord.

Voorwoord

Ik heb het altijd een fascinerend verschijnsel gevonden dat mensen nog precies weten waar ze waren op het moment dat er in de wereld iets dramatisch gebeurde. Alsof ze zich willen vastkluisteren aan een plek, aan een houvast. Het is waarschijnlijk ook een vorm van verbeelding om jezelf het gevoel te geven dat deze schokkende gebeurtenis, de moord op Kennedy, de Al Qaida-aanslagen op de Twin Towers, de moord op Fortuyn, rechtstreeks raken aan de trivialiteit van je eigen leven, de gewone dagelijkse gang van zaken.
Er is nog een reactie, die veel mensen op die beslissende momenten met elkaar delen: ongeloof. Bij toeval stond ik op 11 september 2001 rond de klok van drie uur aan de balie bij de vergaderzaal van de Tweede Kamer naast Den Haag Vandaag-presentator Ferry Mingelen (ik weet het nog precies) toen het tweede vliegtuig zich in de WTC-toren boorde. We keken elkaar aan en zeiden bijna gelijktijdig: ‘Dit is een film.’
Want dat is waar ‘we’ in de westerse wereld dit soort geweld naar verbannen hebben: naar het op zichzelf onschuldige witte doek. Zoals we het nationalisme op een vreedzame wijze hebben gekanaliseerd naar de sportvelden, en dan vooral naar de voetbalstadions, zouden we het liefst in de overtuiging leven dat moorddadig, extremistisch en politiek geweld een vorm van spannende fictie is geworden, waarnaar je kunt kijken zoals je naar een spannende voetbalwedstrijd kijkt. Als een vorm van amusement dat zich buiten jouw leven afspeelt. Dan kan het misschien nog wel gruwelijk ogen, maar in feite is het onschadelijk. Een oorlogsfilm valt verre te prefereren boven een echte oorlog. Een film heeft bovendien als zelfbevestigend voordeel dat de goeden vrijwel altijd aan het langste eind trekken.
In de werkelijkheid wil dat nog wel eens anders zijn, zoals Ferry Mingele en ik ons op dat fatale moment een fractie van een seconde later realiseerden. Dit was echt, dit was ongekend, dit zou de wereld gaan veranderen.

Dat was geen woord te veel gedacht. Er is vanaf dat moment een ‘war on terror’ op gang gekomen die niet alleen honderdduizenden levens heeft gekost op de slagvelden van Irak en Afghanistan, maar die op alle mogelijke manieren ons dagelijks leven is gaan raken. Als ik via internet geld overmaak naar een buitenlands adres dan waarschuwt mijn bank mij dat ‘Persoonsgegevens van klanten die internationale betalingen doen kunnen worden ingezien door de Amerikaanse autoriteiten.’ Er bestaat bovendien een goede kans dat deze zelfde ‘Amerikaanse autoriteiten’ kennis nemen van dit voorwoord als ik dit per email heb verzonden naar de uitgever, want aan de andere kant van de Atlantische Oceaan draaien dag en nacht computers op volle toeren om wereldwijd het emailverkeer te onderzoeken op zoek naar verdachte signalen die mogelijk op terroristen kunnen wijzen. Met woorden als ‘Al Qaida’ en ‘aanslagen’ is de kans verre van denkbeeldig dat dit voorwoord zich heeft mogen verheugen op de bijzondere aandacht van onze NAVO-bondgenoten.
Misschien – ik geef toe: het is onwaarschijnlijk – nodigt hen dit dan ook uit om kennis te nemen van de hele studie van Gérard van Tillo, want dat zou absoluut geen kwaad kunnen. Want waar men in de publieke opinie, in de media, in de politiek gemakshalve gebruik maakt van propagandistische beelden, als ‘As van het Kwaad’, ‘schurkenstaten’, ‘Middeleeuwse krijgsheren’, waarin alles bij voorkeur op een grote hoop wordt gegooid, probeert Gérard van Tillo juist die beelden te deconstrueren door onderscheidingen en verschillen op te zoeken.
Die systematische ontleding is een grote verdienste van deze studie. Ik had bij lezing regelmatig een soort Google Earth-ervaring, het internetprogramma dat opent met een blik op onze aardbol en dat na een paar muisklikken langzaam maar zeker afdaalt tot in de achtertuin van je buurman. Op een bijna vergelijkbare wijze brengt Gérard van Tillo nagenoeg alle vormen van geweld, van extremisme en terrorisme van de wereld in kaart. Dat doet hij op een manier die inderdaad aan de fenomenologie van Husserl doet denken: hij probeert het fenomeen in zijn eigen betekenis te duiden, te laten zien, zonder dat aan die waarneming door een filter wordt gehaald. Wat dat betreft zou het goed zijn als de Amerikaanse autoriteiten echt kennis zouden nemen van dit boek.

Maar de titel bevat nog een woord: vrede. Want Gérard de Tillo laat het niet bij een ontleding van het verschijnsel, hij probeert ook een perspectief te formuleren. Dat is niet eenvoudig, want wie zo zorgvuldig en omvattend de vele voedingsbodems van extremisme en terrorisme heeft behandeld brengt bij de lezer op zijn minst enige wanhoop teweeg. Deze film zou wel eens niet goed kunnen aflopen.
Zo pessimistisch is de auteur echter niet. Ergens in het boek voert hij Mahadma Gandhi ten tonele. Toen in India het extremistische geweld tussen moslims en hindu’s totaal uit de hand dreigde te lopen, begaf Ghandi zich naar de bedreigde regio en ging zo ongeveer van deur tot deur om te pleiten voor stopzetting van het geweld. Dat maakte zoveel indruk dat de spanning er – weliswaar tijdelijk, maar toch – van af ging. In deze figuur van Ghandi komt alles samen wat ons verder zou kunnen brengen: redelijkheid, inspiratie, leiderschap, dialoog, democratie, geweldloosheid, geduld, nieuwsgierigheid. Dat, en nog meer, vormt het plaveisel voor de weg naar hoop die deze studie ook wil bieden. En was ‘hoop’ ook niet een van de kernwoorden uit de campagne van Obama?

Ik had heel graag op 20 januari 2009 tussen die miljoen mensen gestaan in Washington die zijn installatie tot president van het machtigste land van de wereld wilden meemaken. Na lezing van dit boek ben ik nog eens in mijn overtuiging gesterkt dat dit wel eens zo’n beslissend moment in de geschiedenis zal kunnen worden. Daarom weet ik precies waar ik was op dat moment. Thuis voor de buis. En het was geen film.

http://www.husserl.nl/cms/index.php

Bestellen kan via de Edmund Husserl Sichting of Uitgeverij Voltaire.

Presentaties recente lezingen
De afgelopen week op verschillende plaatsen voordrachten mogen houden. Op verzoek van velen kunt u de presentaties hieronder aanklikken.
Lezing 6 november Utrecht - Dag van de geschiedenis van het sociaal werk.

Lezing 12 november NICIS Community of Practise Wijkaanpak.

Lezing 13 november - WBS - sociaal-democratie en volkshuisvesting: AWV als case.

Peter van den Wijngaard [] New York Minute



Afscheidsreceptie voorzitter Eerste Kamer



Verhalendag in Zaandam

In Zaamdam waren de leden van de WMO-Participatieraad zo gecharmeerd van onderstaande aanbeveling uit Ontregelen, dat ze meteen besloten om hun jaarverslag te presenteren in de vorm van een verhalendag. In 2008 was de eerste, en afgelopen zaterdag de tweede. En elke keer mag ik, als leverancier van het idee, commentaar leveren. Dat doe ik graag natuurlijk. Op de foto spreekt de Zaanse wethouder Noom de aanwezigen toe. Jammer was wel dat de verhalen allemaal van buiten Zaanstad kwamen. Dat gaat volgend jaar anders hebben ze beloofd.

Uit Ontregelen, p.108.

Laat professionals verhalen en het werk spreken

In het geweld van grafieken en statistieken lijken we het soms te vergeten: we hebben het hier over mensenwerk, over tragedies, ellende, ongelukkigen, maar ook over successen, trots, vooruitgang en kleine menselijke overwinningen. Dat zijn geen kille feiten, maar vooral persoonlijke verhalen. Het is tamelijk bizar dat ze vaak alleen in de marge van de verantwoording, als kadertjes in het jaarverslag verteld worden. Al die aansprekende of vertwijfelende verhalen verstommen doorgaans ten opzichte van de harde statistieken. Daarmee wordt het werk geobjectiveerd in productieaantallen, maar tegelijkertijd aan het zicht en aan de emoties onttrokken. Terwijl in het verhaal de overtuiging, de legitimatie, en niet zelden de ontroering zit.
Daarom moeten instellingen in hun verantwoording tijd en ruimte creëren om die verhalen te vertellen, kenbaar te maken. Laten ze hun jaarverslag presenteren met een verhalendag, zet je professionele kapitaal in de etalage, laat het werk spreken. Want het is waard om gezien en gehoord te worden, in plaats van weggestopt.

Salonfähig


Is het u ook opgevallen dat GroenLinks inmiddels tot één van de meest stabiele factoren in de Nederlandse politiek is uitgegroeid? De seismografische bewegingen die andere partijen teisteren, lijken geheel aan GroenLinks voorbij te gaan. De electorale aanhang van de partij groeit een beetje of iets meer, maar veel naam mag het niet hebben. De kranten maken er nauwelijks melding van.
Dit succes van de luwte zal de partij zeker geen windeieren leggen. Als GroenLinks bij de komende gemeenteraadsverkiezingen een kleine winst boekt, en dat is gezien de deplorabele staat van de PvdA wel het minste waar we op mogen rekenen, dan voorspel ik een verdubbeling van het aantal wethouders. De restanten van de PvdA zullen GroenLinks (en D66) van harte uitnodigen om de bestuurlijke gaten te vullen. Kunnen ze zelf ook nog meedoen en blijft alles toch een beetje hetzelfde.
Daar is niks mis mee. Over het algemeen leveren wij ook bekwame en intelligente wethouders, die met kleine zetjes de samenleving de goede kant op duwen. Maar tegelijkertijd heb ik het idee dat we op een ijsschots springen die langzaam aan het smelten is, om maar eens een sprekende milieumetafoor aan te halen. GroenLinks wordt salonfähig voor de zittende macht, op het moment dat deze speelbal is geworden van woelige electorale baren en de legitimiteit zienderogen aan het verliezen is.
Dat voelt minder goed. Zeker als de partij eigenlijk nauwelijks een politieke agenda heeft om een perspectief te bieden voor de zwalkende democratie. Ooit waren we de partij van de radicale democratisering, die huurders het recht wilde geven de huur te weigeren als corporatiebestuurders er met de poet vandoor gingen. Dat soort geluiden hoor je nog maar zelden. Jammer, want daarmee lopen we een grote kans om zelf met de volgende electorale golf weggespoeld te worden.

Geheel ten onrechte heb ik in mijn vorige column gesuggereerd dat Paulus de Wilt de laatste GroenLinkse PSP’er was. In werkelijkheid heeft hij zijn PSP lidmaatschap in 1987 al opgezegd en was hij het eerste lid dat bij GroenLinks werd ingeschreven. Hij was dus niet de laatste GroenLinkse PSP’er, maar de eerste PSPse GroenLinkser. Waarvan acte.

Deze column verschijnt in het november-nummer van het GroenLinks magazine.

Kies een periode: oktober 2020
september 2020
augustus 2020
juli 2020
juni 2020
mei 2020
april 2020
maart 2020
februari 2020
januari 2020
december 2019
november 2019
oktober 2019
september 2019
augustus 2019
juli 2019
juni 2019
mei 2019
april 2019
maart 2019
februari 2019
januari 2019
december 2018
november 2018
oktober 2018
september 2018
augustus 2018
juli 2018
juni 2018
mei 2018
april 2018
maart 2018
februari 2018
januari 2018
december 2017
november 2017
oktober 2017
september 2017
augustus 2017
juli 2017
juni 2017
mei 2017
april 2017
maart 2017
februari 2017
januari 2017
december 2016
november 2016
oktober 2016
september 2016
augustus 2016
juli 2016
juni 2016
mei 2016
april 2016
maart 2016
februari 2016
januari 2016
december 2015
november 2015
oktober 2015
september 2015
augustus 2015
juli 2015
juni 2015
mei 2015
april 2015
maart 2015
februari 2015
januari 2015
december 2014
november 2014
oktober 2014
september 2014
augustus 2014
juli 2014
juni 2014
mei 2014
april 2014
maart 2014
februari 2014
januari 2014
december 2013
november 2013
oktober 2013
september 2013
augustus 2013
juli 2013
juni 2013
mei 2013
april 2013
maart 2013
februari 2013
januari 2013
december 2012
november 2012
oktober 2012
september 2012
augustus 2012
juli 2012
juni 2012
mei 2012
april 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
december 2011
november 2011
oktober 2011
september 2011
augustus 2011
juli 2011
juni 2011
mei 2011
april 2011
maart 2011
februari 2011
januari 2011
december 2010
november 2010
oktober 2010
september 2010
augustus 2010
juli 2010
juni 2010
mei 2010
april 2010
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004