JOS VAN DER LANS - WEBLOG / TWITTER

Via twitter (@josvanderlans, sinds oktober 2010) en onderstaand weblog (sinds augustus 2004) kunt u op hoogte blijven van artikelen en columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van observaties die ik doe, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardig-heden.

Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb.



.

Reacties worden enorm op prijs gesteld. Stuur een email naar: info©josvdlans.nl

weblog - maart 2022
Eropaf!-Bijeenkomst 31 maart – Naar nul huisuitzettingen: zo kan het!
Het aantal huisuitzettingen wegens huurachterstand is de afgelopen jaren sterk gedaald; van ruim 8000 huisuitzettingen in 2016 naar ongeveer 3000 in 2020. Het voorkomen van huisuitzettingen wegens huurschuld is inmiddels de norm.

Toch zijn we er nog niet. De gewijzigde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) per 1 januari 2021, die vroegsignalering van schulden tot wettelijke taak voor gemeenten heeft gemaakt, vormt een impuls tot een verdere daling.

Maar hoe? Om zowel uitvoerders als beleidsmakers, van wonen tot het sociaal domein, te ondersteunen heeft Eropaf! een sluitend model voorkomen huisuitzettingen ontwikkeld. In deze bijeenkomst lanceren we dit model en illustreren we dit aan de hand succesvolle inzichten en aanpakken van twee gemeenten: Amsterdam en Maastricht.

Deze bijeenkomst wordt georganiseerd door Eropaf!, Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en Movisie. Aan deelname zijn geen kosten verbonden. Je kunt je hier opgeven.

Als eerste voorzitter van de stichting Eropaf was mij de eer toebedeeld om een voorwoord te schrijven voor de brochure die tijdens deze bijeenkomst wordt gepresenteerd. De tekst volgt hieronder.
‘Goh, vertel?’

We waren buren: Marc Räkers en ik. Zo’n twintig jaar geleden raakten we aan de praat. Marc werkte voor de Amsterdamse opvangorganisatie HVO-Querido en was initiatiefnemer van het project De Vliegende Hollander. Zodra zij lucht kregen van dreigende huisuitzetting sprong een van hen op de fiets, belde aan en stelde de vraag: ‘Goh, vertel?’ In een geschiedenis vol aanmaningen, incasso’s en dreigementen was het meestal voor het eerst dat iemand in levende lijve deze vraag stelde.

Dit verhaal was koren op mijn molen. Ik schreef al lang over de sociale sector en ergerde mij in toenemende mate aan de bureaucratische afstandelijkheid die bezit had genomen van veel hulpverleners. Wie met tegenslag in het leven kampte, werd geacht zijn zinnen bijeen te rapen, een afspraak te maken en volop gemotiveerd zijn opwachting te maken in de spreekkamers van de hulpverlening. Wie dat niet kon opbrengen, werd aan zijn lot overgelaten.

Landelijk leidde dat jaarlijks tot ongeveer twintigduizend huisuitzettingen. Ze werden uitgevoerd alsof het een administratieve handeling betrof, bijna achteloos werd de inboedel door verhuizers afgevoerd. Dossier gesloten. Wat er verder met de bewoners gebeurde was geen onderwerp. Ze verdwenen van de radar, doken op bij de nachtopvang of begonnen aan een lange rondreis langs de slaapbanken van bekenden, om vaak alsnog op straat te belanden. Dat hier een elementair mensenrecht werd geschonden, daar sprak niemand over.

De ervaring van de Vliegende Hollander was dat de spiraal van ellende doorbroken kan worden als je alle signalen tijdig serieus neemt en als je moeite doet voor een warm contact. Bemoeien werkt, zo heette de eerste gezamenlijke publicatie die in 2003 (samen met Nies Medema) verscheen. En we muntten er een begrip voor of eigenlijk een oproep met een uitroepteken: Eropaf! Een kreet die - tot onze verbazing en tevredenheid - al snel een plek kreeg in officiële beleidsprogramma’s, zoals Welzijn-Nieuwe-stijl.

Zo ontstond een beweging die tot vrijwel alle burelen van woningcorporaties, overheidsdiensten, gemeenten en andere instanties doordrong. Er werd steeds meer moeite gedaan om te voorkomen dat mensen met oplopende huurschulden uit huis werden gezet - vroegsignalering, vroeg-eropaf, maatwerk, sociaal incassobeheer, rechterlijk toezicht. De kern bleef steeds hetzelfde: wees er op tijd bij (preventie) en zorg voor een warm contact! Het succes is er ook naar: het aantal huisuitzettingen wegens huurachterstanden daalt nog steeds. Zelfs in die mate dat nu - na ruim 20 jaar - het nulpunt niet langer ondenkbaar is.

Uit een anekdote verderop in deze publicatie blijkt dat dit nulpunt in Utrecht al vrijwel bereikt is. Nu de voormalige Utrechtse wethouder Maarten van Ooijen staatsecretaris van VWS geworden is, moet dit met vereende krachten - en dit boekje bij de hand- ook landelijk haalbaar zijn.

Jos van der Lans is publicist en de eerste voorzitter van de Stichting Eropaf!
Crowd-funding om buurtcentrum De Eester te kopen!!
Ik ben lange tijd voorzitter geweest van Buurtcoöperatie de Eester, het bewonersplatform in het Oostelijk havengebied in Amsterdam. Vijf jaar om precies te zijn. Net toen ik aftrad maakte wooncorporatie De Key, die zich momenteel tooit onder naam Lieven de Key, bekend dat zij het buurtcentrum, zeg maar de thuisbasis van de Buurtcoöperatie van de hand wil doen. Is geen kerntaak meer en ze hebben geld nodig. Eigenlijk heel vreemd, dat een corporatie zo maar kan besluiten om iets te verkopen zonder zich de vraag te stellen of iets relevant is voor de buurt.Maar goed, uit een taxatie blkee de prijs het overwegen waard. buurtonderzoek leerde dat veel mensen best wel geld willen steken in de een aankoop. Dus ja, nu gaan we kijken of we het buurtcentrum zelf kunnen kopen, om zo te voorkomen dat de ruimte in handen komt van een op winst e belegger. Daarvoor hebben we ongeveer € 450.000 nodig. Dat geld willen we voor een groot deel lenen van zoveel mogelijk buurtgenoten in de vorm van twee soorten Eester-obligaties, allebei van € 250,- per stuk. De eerste met een looptijd van 5 jaar en een rente van 1,5%; de tweede voor de duur van 10 jaar en een rente van 2%.

Gaat dat lukken? Ja, want driekwart van de 400 respondenten van onze buurtenquête reageerde enthousiast. Voor dit doel wilden de meeste mensen meerdere Eester-obligaties aanschaffen; veel buurtbeoners wilden zelfs doneren! Dat kan vanaf 1 mei, door ons uitgeroepen als de Dag van de Aankoop, als we in het Oostelijk Havengebied volop campagne gaan voeren. Kijk daarom op onze website voor alle relevante informatie. Daar kan je ook aanmelden om mee te doen.



Je kunt de enquete nog invullen, klik op de afbeeldingen hierboven.
Column Tijdschrift voor sociale vraagstukken


De Wet van 10


Er is een sociologische wet die zegt dat je als het gaat om sociale actie drie type mensen hebt: de voortrekkers (optimisten, hardlopers), de niet-uitgesprokenen (kat-uit-de-boom-kijkers, volgers) en de chagrijnen (wantrouwigen, negativisten). Het is geen echte sociologische wet, ik heb hem zelf verzonnen, maar hij werkt illustratief om buurtinitiatieven te beschrijven. Het is mijn Wet van 10. Als je tien mensen hebt zijn er twee/drie die van alles willen, vier/vijf die het zelf niet zouden bedenken maar zich laten overtuigen en dan zijn er weer twee/drie er niet in geloven. De kunst voor de voortrekkers is dat ze de middengroep meekrijgen. Daarbij helpt een misstand, een noodzaak of potentieel financieel gewin.

Als dat lukt, kunnen er meters gemaakt worden. Kijk bijvoorbeeld naar energiecoöperatieven. De initiatiefnemers zijn vaak pure idealisten, overtuigd dat we wat moeten doen aan het klimaat. Maar het coöperatief gaat pas werken als mensen er voordeel bij zien, handzame isolatiepakketten, goedkopere energie, dan kunnen ideaal en praktisch voordeel samengaan en dan hebben de chagrijnen, de sceptici het nakijken.

Eigenlijk is het een persoonlijke variant van een normaalverdeling, de meest krachtige statistische wet die er bestaat. Die wet leert ons dat er rondom het gemiddelde een massief midden is, geflankeerd door twee afwijkende uitersten, die pakweg aan beide zijden zo’n 15% van het totaal uitmaken. Met de normaalverdeling brengen we doorgaans zaken als de verdeling van het IQ of lichaamslengte over de bevolking in beeld. De normaalverdeling is echter ook van toepassing over kwesties als armoede, schulden, multiproblemen. Let maar op: in al die gevallen gaat het om zo’n 15% van de bevolking dat kampt met problematische schulden of grote sociale problemen. Terwijl je aan de andere kant 15% veel vermogenden en gelukzaligen aantreft.

Maar de normaalverdeling helpt ook om sociale en politieke veranderingen te begrijpen. In de jaren zestig en zeventig stond er een groep jongeren en intellectuelen op die zich begonnen te roeren. Zij provoceerden het ingedutte midden en de regenten die erover waakten en zagen tot hun verrassing dat ze een sluimerende bron van onvrede losmaakten over de verzuilde benauwenissen waarin regenten het grote midden opgesloten hielden. Vervolgens trad mijn Wet van 10 in werking, overal roerden voortrekkers de trom en trokken ze de volgers over de streep, waarna er een golf van democratisering en emancipatie over het land trok en Nederland in een mum van een tijd veranderde van een gezagsgetrouw land in een prudent-progressieve natie, zoals het SCP het graag aanduidde. De 15% die zich aan het andere kant van het spectrum ophield, de sceptici, de conservatieven, de racisten, dat percentage was er wel maar werd in de nieuwe hegemoniale orde genegeerd en doodgezwegen.

Die dynamiek is inmiddels uitgeblust, verzand in de neo-liberale tijdgeest die ze zelf heeft voortgestuwd. En zie: de 15% die zich niet gehoord voelt, die de weldenkende elite die nu al decennia de dienst uitmaakt wantrouwt, begint zich te roeren. En zoals de generatie babyboomers in de jaren zeventig de ludieke actie hadden, zo hebben de wantrouwigen, de sceptici nu de sociale media, waarin ze zich groter maken dan hun 15% rechtvaardigt. Steeds vaker slagen ze er in om delen van het midden mee te krijgen, dat zijn de momenten dat de LPF, PVV, SP, Rita Verdonk of Forum in peilingen en een enkele keer in echte verkiezingen op zo’n 25 zetels (+15%) staan.

Het gevolg was wel dat het omvangrijke midden onder leiding van traditionele partijen naar het populistische uiterste begon te bewegen. Ja, en toen kwam corona. Een type gamechanger, vergelijkbaar met mei 1968. Hoe langer het virus huis hield, hoe luider de wantrouwigen zich roerden en hoe meer het grote midden begon te twijfelen en hoe minder de officials wisten te overtuigen. De grote verliezer was politiek links die ineenschrompelde tot zo’n 25 zetels (+15%) en de connectie met het grote midden zag vervliegen. Zo is de maatschappelijke stemming, gevoed door zowel klassieke als sociale media, geheel in de ban gekomen van de wantrouwigen met een forse uitstraling naar het midden. Hoop en optimisme hebben het in de hogere mediale sferen afgelegd tegen scepsis en wantrouwen.

Maar op het laagste niveau van de samenleving, in buurten en wijken, liggen de kaarten anders. Daar functioneert nog mijn Wet van 10; daar heersen nog steeds de voortrekkers, de optimisten, die werken aan duurzaamheid, leefbaarheid en gemeenschappelijkheid; daar leeft wel degelijk het optimisme van de hoop. De progressieve opgave van de toekomst is om aan deze beweging van onderop volop ruimte te geven. Een dam tegen de nieuwe hegemonie van het wantrouwen werp je niet op in Den Haag, noch op televisie of sociale media, maar in de realiteit van het gewone leven. In de sociale werkelijkheid van mijn Wet van 10.

Deze bijdrage verscheen in het Tijdschrift voor sociale vraagstukken, nr. 1/2022. Hier kan je de pdf downloaden.
Bij het overlijden van Arend Jan Heerma van Voss
Arend Jan Heerma van Voss wordt na zijn overlijden op 27 februari 2022 in de verschillende Im Memoria vooral herinnerd als een mediaman, als de B-acteur (zoals hij het zelf noemde) in de sketches van Van Kooten & De Bie en in een enkele film, als journalist bij de Haagse Post in de roemruchte jaren zeventig en als hoofdredacteur VPRO-radio in het begin van deze eeuw. Over het feit dat hij bijna twintig jaar hoofdredacteur is geweest van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid wordt nagenoeg met geen woord gerept. Eigenlijk verbijsterend, want zijn fascinatie voor psychisch lijden, voor deviant gedrag en zwakzinnigheid maakte van hem een belangrijk chroniqueur van de ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg.

Heerma van Voss schreef voor de Haagse Post verhalen over de antipsychiatrie van Jan Foudraine, waarbij hij Neerlands bekendste antpsychiater betrapte op het vervalsen van de geschiedenis van een van zijn patienten. Hij maakte reportages over Dennendal, waarin hij een mengeling van sympathie voor de vernieuwing en begrip voor de angst van de ouders ten toon spreidde. Hij schreef een prachtig biografisch portret van Arie Querido, Neerlands eerste en baanbrekende sociaal-psychiater, voor wie hij grote bewondering had. En hij documenteerde als eerste de geschiedenis van de Nederlandse gekkenbeweging, een beweging die hij met de hem typerende mix van interesse en distantie analyseerde. Veel van deze verhalen zijn op de site Canon sociaal werk terug te vinden; ze horen bij de schatkamer van de geschiedenis van het brede sociaal werk in Nederland.

In 1993 verzamelde hij veel van zijn notities en vaak prachtig geschreven stukjes waarin hij zijn gedachten over de ggz de vrije loop liet in de bundel De haas en de jager. In deze bundel toont hij zich een scherp commentator van allerlei beleidsmodes die de geestelijke gezondheidszorg op sleeptouw nemen, waarbij hij dilemma’s aanraakt, die tot op de dag van vandaag nog steeds actueel zijn.

In oktober 1993 interviewde ik naar aanleiding van het verschijnen van deze bundel Heerma van Voss voor de Groene Amsterdammer. Als tegenwicht tegen het veel te eenzijdige mediabeeld dat na zijn overlijden de toon is gaan zetten, is de tekst van dit interview hieronder opgenomen. Maar ook en vooral omdat de kwesties die Heerma van Voss hier aan de orde stelt meer dan een kwart eeuw later nog steeds uiterst actueel zijn.

Zielepijn

‘Geen kwaal of je krijgt er wel een studiotribune mee vol’

Gekken, zwakzinnigen en neurotici — ze hebben al heel wat gezondheidszorgmodes aan zich voorbij zien trekken. Arend-Jan Heerma van Voss bundelde zijn commentaren op de modes van de afgelopen twintig jaar. Een interview over het miskende individuele psychisch lijden, inflatoire depressies en de jacht op de ongemotiveerde risicogroepen.

De Groene Amsterdammer 17 oktober 1993

Kortom, heren tegenstanders van de psychoanalyse en andere langdurige vormen van psychotherapie. U mag, om redenen van zuinigheid of simplisme, dwepen wat u wilt met niet-luxueuze en niet-elitaire therapieën; u mag hun maatschappelijke relevantie veel hoger aanslaan, zoals u de maatschappelijke relevantie van de griep veel hoger aan mag slaan dan die van de multiple sclerose; maar u mag één ding nlet: u mag mij niet het recht ontzeggen dat ik tot een elite van zwaar gestoorden heb behoord of behoor - zeer ernstige gevallen, waarvoor een uiterst intensieve therapie geïndiceerd is. Tenzij het u niets had kunnen schelen wanneer ik, al jaren geleden, dood was gevallen. Daar is ook wat voor te zeggen, maar zegt u dat dan gewoon. Dan weet ik voortaan wat ik aan u heb.

Met deze woorden eindigde een boze lezer (naam en adres bij de eindredactie bekend) van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (MGv) in maart 1980 een open brief aan de tegenstanders van intensieve therapie. De jaren zeventig waren nog niet voorbij of progressief Nederland stelde de psychotherapie als voorrecht van welbespraakte middenklassers aan de kaak. Libo’s (Lager Inkomen, Beroep een Opleiding) kwamen Immers bij de psychotherapeuten niet aan de bak, terwijl ze er wel premies en belastingen voor betaalden. Dat moest veranderen met als gevolg: een overdenderend pleidooi voor kortdurende op het het hier-en-nu gerichte groei zelfhulp, bereikbaar voor alle maatschappelijke klassen, gerund door door gevoelsmatig begaafden zonder last van diploma’s en vooral ultra-goedkoop’, aldus de zich verbijtende boze MGv-lezer.
Inmiddels weten we wie deze lezer is: Arend-Jan Heerma van Voss, eindredacteur van hetzelfde maandblad. De brief is opgenomen in de onlangs verschenen bundel De haas en de Jager, waarin Heerma van Voss een selectie presenteert van beschouwingen en observaties die hij tussen 1970 en 1992 over de geestelijke gezondheidszorg aan het papier toevertrouwde. Ze waren eerder te lezen in de Haagse Post — waar Heerma van Voss tussen 1970 en 1977 naar eigen zeggen ‘de democratiseringsbeker tot onder in de kelk, tot en met het meest afzichtelijke drab, heeft geleegd’ — en in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, het vakblad voor de geestelijke gezondheidszorg dat hij vanaf 1977 heeft omgebouwd tot een van de meest aardige en leesbare vaktijdschriften in zijn soort.

Heerma van Voss is geen onbekende In medialand. Hij hoorde samen met John Jansen van Galen, Bert Vuijsje, Martin Schouten, Ischa Meijer, Cherry Duijns, Frans Nypels en Kees Tamboer tot de energieke jongensbende die in de eerste helft van de Jaren zeventig in de Haagse Post furore maakte, en naast zijn eindredacteurschap van het MGv deed hij met vaste regelmaat ‘wat’ bij de VPRO: radioprogramma’s, redactiewerk voor Adriaan van Dis en prachtige persiflages van allerlei deskundigen bij Van Kooten & De Bie.
In mei 1990 werd hij voor een dag in de week voorzitter van de VPRO, niet vermoedend dat vanaf toen de ene na de andere ingrijpende schokgolf door Hilversum zou gaan. Maar belangrijker dan zijn mediaglamour is zijn al ruim vijftien jaar durende aanwezigheid In Utrecht, waar hij in dienst is van het Nederlands Centrum Geestelijke Volksgezondheid, het onderzoeksinstituut dat tevens het MGv uitgeeft. Daar is hij uitgegroeid tot de kroniekschrijver van de wereld die zich rondom de individuele zielepijn heeft opgetrokken. De bundel De haas en de Jager getuigt daarvan: intrigerende notities uit een periode van ruim twintig jaar over een terrein waar de ene grillige mode na de andere langs komt. Bij die modes — boeken, gebeurtenissen, tv-uitzendingen, disputen — plaatst de jurist en journalistiek geschoolde Heerma van Voss opmerkingen in de kantlijn die de tand des tijds goed kunnen doorstaan. Alle modes zijn gedateerd, maar in vrijwel alle stukken worden vragen opgeworpen die binnen de geestelijke gezondheidszorg nog steeds actueel zijn.

Zijn fascinatie voor de psychiatrie en de zwakzinnigenzorg stamt uit zijn HP-tijd. Toen maakte hij een reeks omslagartikelen over Jan Foudraine en diens bestseller Wie is van hout en — uiteraard — over het conflict waarin alle ideologische noties en tegenstellingen en uit de opgewonden jaren zeventig samenkwamen: Dennendal, het in 1974 tragisch afgebroken experiment onder leiding van Carel Muller om zwakzinnigen uit hun institutionele ketens te bevrijden. Hoewel sympathiserend met de antipsychiatrische boodschap van Foudraine en het onversneden idealisme van Muller en de zijnen, bleef hij zijn reserves houden. Bij Foudraine ontdekte hij hoe de meest vooraanstaande Nederlandse antipsychiater van die dagen de geschiedenis van een van zijn cliënten had vervalst. In De haas en de jager leidt dat tot een prachtig verhaal waarin afkeer en sympathie gelijk op gaan.
Een half jaar na de dramatische afloop van de Dennendal-affaire ging Heerma van Voss met de direct betrokkenen op zoek naar het antwoord op de vraag wat er eigenlijk zo aardig is aan zwakzinnigen. Hij kwam tot de ontdekking dat het meer om de buitenstaanders ging dan om de direct betrokken zwakzinnigen. Heerma van Voss: ‘Dennendal was voor iedereen die erbij betrokken was, buitengewoon spannend, schokkend. Alles uit die tijd kwam daarbij elkaar. En het ging om zwakzinnigen, de meest mysterieuze figuren in de geestelijke gezondheidszorg. Iedere partij had een muurvast beeld over wat deze mensen het meest nodig hebben en iedereen bouwde daar een vesting omheen. Als je vindt dat ze spel en vreugde en vrijheid nodig hebben, dan kun je ze niet meer anders zien, en als je als bezorgde ouder weet dat ze orde en regelmaat en een schone onderbroek nodig hebben, dan kun je ze ook absoluut niet anders dan zo zien. Dennendal was een beeldenstrijd waar zwakzinnigen doorheen liepen. En omdat ze niets terugzeiden, werden ze kolossale projectieschermen. De ene partij zag ze als de absolute en bijna benijdenswaardige onschuld, de andere als toonbeeld van alles wat een gewoon mens niet is: instinctmatig en ongedisciplineerd.’

De antipsychiatrie en Dennendal hebben Heerma van Voss nooit helemaal losgelaten. Zijn fascinatie voor de geestelijke gezondheidszorg is er blijvend door bepaald, het heeft zijn mening gevormd en die is sindsdien, zo constateert hij, niet ingrijpend veranderd’. De geestelijke gezondheidszorg bestaat, zo blijkt uit De haas en de jager, uit twee werelden die innig met elkaar verstrengeld zijn, maar per definitie niet geheel in elkaar kunnen overgaan. Aan de ene kant de wereld van het psychisch lijden, dat exclusief en individueel is. En aan de andere kant de wereld die zich van het psychisch leed tracht meester te maken: de wereld van het beleid, de politiek, de media, (minderheids)groepen, psychiaters en psychotherapeuten. Die bemoeienis is onvermijdelijk, maar het beeld van de zwakzinnigen zegt niet alles over de zwakzinnigen, de beleidsmatige bemoeizucht zegt niets over het individuele psychisch lijden.
Vandaar dat elke vernieuwing in de geestelijke gezondheidszorg altijd iets sympathieks heeft — omdat men nu eenmaal het goede voorheeft met de gek, de zwakzinnige of de neuroticus — maar tegelijkertijd met argwaan moet worden bekeken omdat elke vernieuwing de neiging heeft om een werkelijkheid op zich te worden die het exclusieve karakter van het psychisch lijden ontkent. Vandaar ook de woede van ingezonden-brievenschrijver Heerma van Voss over de kritiek op het elitaire karakter van de psychotherapie — als maatschappelijk verhaal misschien nog wel te begrijpen, maar een absolute ontkenning van het individuele psychisch lijden.
Heerma van Voss: ’De geestelijke gezondheidszorg is geen afsplitsing van de algemene begaanheid met allerlel achterstandsgroepen. Dat is een fout die In de politiek vaak wordt gemaakt als men met een grote armzwaai weer een hele groep in de richting van de geestelijke gezondheidszorg schuift. Dat heeft te maken met het denken over risicogroepen, dat vooral bij beleidsambtenaren en politici zo in trek is. Zo gauw het gaat om mensen uit minderheidsgroepen, ouderen of gescheiden mensen, ontstaat er een soort beleidsnervositeit: er moeten dus meer gescheiden mensen naar de Riagg, of meer minderheden. Het probleem is natuurlijk dat als je een risicogroep hebt aangewezen, je bij god nog niet weet wie je uit die risicogroep ook echt moet hebben. Je kan een hele groep echtgescheidenen door de gespreksmolen halen, terwijl er een straat verder een onopvallende gehuwde van het dak springt. De geestelijke gezondheidszorg hoort niet als standaardpakket van drie gesprekken bij elke echtschelding te pas te komen.

Het is fundamenteel verkeerd om op een heel globale manier alle vormen van menselijke tegenslag, onbehagen, ongeluk of treurigheid met een grote armzwaai richting Riagg te duwen. Daarom is het marktdenken ook zo onzinnig op dit terrein, want dan zou een Riagg zich actief wervend op de markt bezig moeten houden met pr-campagnes om mensen binnen te lokken. Dat is dus precies wat niet moet gebeuren. Zoals er ook geen brigades van lonkende psychiaters uitrukken bij de Bijlmerramp. De geestelijke gezondheidszorg moet er zijn voor die Bijlmerbewoners bij wie het verdriet blijft hangen, vreemd verloopt, voor wie de verwerking niet op gang komt, maar niet voor alle Bijlmerbewoners omdat ze een ramp hebben meegemaakt.’
Maar in een wereld waarin de psychologische duidingen met de dag inflateren, wordt het wel steeds moelijker om het ‘echte’ leed van de gewone menselijke tegenslag te onderscheiden. Heerma van Voss: ‘Als je voor de tv even zit te zappen, kom je bijna altijd wel iemand tegen die voor de camera uitlegt dat hij in verband met zijn jeugd en zijn agressieve gevoelens naar zijn ouders toe, altijd moeilijkheden in zijn relaties heeft gehad. Het is een soort babbeltaal geworden Er is haast geen kwaal meer te bedenken of je krijgt er wel een tribune mee vol in een studio. Dan zitten er op een avond allemaal fobici in de zaal. Ik denk dan: die mensen zijn niet fobisch. Ik ben zelf fobisch geweest en weet dat je het dan niet uithoudt op zo’n tribune. Het gevaar is dat fobisch een ander woord wordt voor angstig. Zoals depressie de aanduiding wordt voor als je je een week niet lekker voelt. Ik denk dat het een taak van de geestelijke gezondheidszorg is om zich tegen die inflatie te verzetten. Ik ga ervan uit dat de gemiddelde behandelaar als die een beetje zijn vak verstaat, niet meer dan een of twee gesprekken nodig heeft om het verschil te voelen tussen iemand die in de ouderwetse psychiatrische zin depressief is, en iemand die gewoon erg veel tegenslag heeft gehad. Dat is misschien naïef, maar dat vertrouwen heb ik wel.’

De geestelijke gezondheidszorg, hij blijft het benadrukken, is de plaats waar recht moet worden gedaan aan het psychisch lijden als een zeer ingrijpende belemmering in een individueel bestaan. Mensen worden er niet gelukkig van als ze ‘reëel’ in plaats van ‘irreëel’ verdriet hebben, maar wel ‘op de goede manier ongelukkig’. De geestelijke gezondheidszorg is geen productiefabriek van het goede leven en vooral geen stortplaats van maatschappelijke misstanden. ‘Neem de tendens dat de geestelijke gezondheidszorg zich massaal moet storten op elke dakloze die zich maar enigszins deviant door het straatbeeld beweegt. Dat gaat geheel voorbij aan de mogelijkheid dat er ook daklozen zijn die, op een manier die niemand begrijpt, tevreden zijn met hun gedepriveerde bestaan en er geen klachten over hebben. Terwijl die zogenaamd zeer elitaire hoge ambtenaar die al vier maanden de straat niet op durft, minder belangrijk zou zijn. Ik blijf vinden dat die man een veel aangewezener klant is dan iemand die op de stoep slaapt.
Als Riaggs melden dat ze niets met die daklozen kunnen omdat ze niet gemotiveerd zijn, hoont iedereen dat weg: “Zie je wel, daar heb je ze weer, de klanten kunnen de elitaire kunstjes niet volgen en dan zeggen de therapeuten dat ze niet gemotiveerd zijn.” Zo eenvoudig is het niet. Waarom zou een sector zich in godsnaam intensief en opdringerig moeten bezighouden met mensen die daar geen behoefte aan hebben, die zichzelf absoluut niet wensen te definiëren als iemand waar psychisch iets mee aan de hand is? Daar moet in sociaal of financieel opzicht iets aan gebeuren. Maar als mensen per se niets met een Riagg te maken willen hebben, is het toch wat eigenaardig om te zeggen: “Je moet wel — uit je levensstijl blijkt dat je ziek bent en eigenlijk een patiënt.”
Er is geen enkele andere tak van de gezondheidszorg waar op een vergelijkbare manier de els wordt gesteld dat ze zich moeten bezighouden met patiënten die niet willen. Dat een Riagg wel eens zegt: "Met geheel ongemotiveerde mensen kunnen wij niets”, vind ik dus geen politiek schandaal. Nee, natuurlijk kunnen zij niets met mensen die zichzelf niet willen en niet hoeven te beleven in termen die aansluiten bij de terminologie en de aanpak wan een Riagg. Dat vind ik geen schande, dan moet je gewoon wat anders bedenken.’

Heerma van Voss is ook nooit zonder meer warm gelopen voor wat tegenwoordig in beleidsnota’s de ‘vermaatschappelijking’ van de psychiatrie wordt genoemd: het ontmantelen van de psychiatrische ziekenhuizen en het creëren van vormen van beschermd wanen in de stad. Als verbetering van het totaalpakket van de psychiatrie heeft het zijn steun, maar: ’Als ik ooit knettergek zou worden en de keuze zou hebben tussen een psychiatrisch ziekenhuis en een beschermde woonvorm zou ik altijd voor het eerste kiezen. Het terrein van een psychiatrisch ziekenhuis heeft de gemoedelijkheid van een dorp, je leeft er in een soort overzichtelijke ruimte, waar je je eigen gewoonten kan hebben, een soort mini-bestaan. Dat in te ruilen voor zo’n Harold Pinter-achtig samenzijn mat vijf andere mensen in een huis in een buurt is een prachtig ideaal, maar ik denk dat je wereld veel kleiner wordt omdat die zich afspeelt binnen een klein huis, met maar een paar mensen en met een angstig uitstapje naar de kruidenier om de hoek. Je jaagt de mensen ook de onveiligheid in. Sommigen zullen dat aan kunnen, dat blijkt ook, maar anderen niet. Want waar die mensen aan lijden, is door al die verhuizingen en verschuivingen niet te verhelpen. Je kunt ze In een totaal nieuw pand zetten, een geheel nieuwe structuur bedenken, een multifunctionele eenheid, maar waar ze aan lijden, zit echt van binnen, dat krijg je er niet uitverhuisd.
Als alle instellingen In Nederland nu aan case management, zorg-op-maat en al die beleidsrimram gaan doen, gaat het ook niet om die reden beter met mensen. Ze kunnen dan alleen maar maatschappelijk beter worden gehanteerd, beter worden gestuurd, en je mag hopen dat sommigen van hen op een betere plek terecht komen. Maar hoe het met mensen gáát en waar ze last van hebben, daar ben je dan nog niet aan toegekomen. Wat dat betreft ben ik een groot aanhanger van wat ik maar het eigendomsrecht noem: het probleem zit in het individu, van binnen. Daaromheen kun je ontzettend veel doen en dat is ook heel goed en belangrijk, en je kunt de condities veranderen en de patiëntenstromen omleggen en weet ik veel, maar het Is toch niet meer dan een begin.’

A.J.Heerma van Voss (1993), De haas en de jager. Psychische stukken. Meulenhoff, 214 blz.
15.000 mensen op de Dam protesteren tegen Russische invasie
Kies een periode: september 2022
augustus 2022
juli 2022
juni 2022
mei 2022
april 2022
maart 2022
februari 2022
januari 2022
december 2021
november 2021
oktober 2021
september 2021
augustus 2021
juli 2021
juni 2021
mei 2021
april 2021
maart 2021
februari 2021
januari 2021
december 2020
november 2020
oktober 2020
september 2020
augustus 2020
juli 2020
juni 2020
mei 2020
april 2020
maart 2020
februari 2020
januari 2020
december 2019
november 2019
oktober 2019
september 2019
augustus 2019
juli 2019
juni 2019
mei 2019
april 2019
maart 2019
februari 2019
januari 2019
december 2018
november 2018
oktober 2018
september 2018
augustus 2018
juli 2018
juni 2018
mei 2018
april 2018
maart 2018
februari 2018
januari 2018
december 2017
november 2017
oktober 2017
september 2017
augustus 2017
juli 2017
juni 2017
mei 2017
april 2017
maart 2017
februari 2017
januari 2017
december 2016
november 2016
oktober 2016
september 2016
augustus 2016
juli 2016
juni 2016
mei 2016
april 2016
maart 2016
februari 2016
januari 2016
december 2015
november 2015
oktober 2015
september 2015
augustus 2015
juli 2015
juni 2015
mei 2015
april 2015
maart 2015
februari 2015
januari 2015
december 2014
november 2014
oktober 2014
september 2014
augustus 2014
juli 2014
juni 2014
mei 2014
april 2014
maart 2014
februari 2014
januari 2014
december 2013
november 2013
oktober 2013
september 2013
augustus 2013
juli 2013
juni 2013
mei 2013
april 2013
maart 2013
februari 2013
januari 2013
december 2012
november 2012
oktober 2012
september 2012
augustus 2012
juli 2012
juni 2012
mei 2012
april 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
december 2011
november 2011
oktober 2011
september 2011
augustus 2011
juli 2011
juni 2011
mei 2011
april 2011
maart 2011
februari 2011
januari 2011
december 2010
november 2010
oktober 2010
september 2010
augustus 2010
juli 2010
juni 2010
mei 2010
april 2010
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004